Verhalen

Zij die vergeten

Zij die vergeten, gepubliceerd in Tijdschrift Ei, een kort verhaal over het nachtelijk avontuur van een zieke vrouw, met beeld van Pieter Drift (2020)

Het is een nazomernacht en de wind woelt door de bomen rondom het huis, regen tikt tegen het raam. Binnen ligt een vrouw in bed, dromen vullen haar gedachten. Ze mompelt koortsachtig, totdat ze met een kleine schrik wakker wordt. Haar pezige hand voelt eerst aan haar eigen lijf – tussen de plooien en onder haar borsten is het vochtig – en dan draait ze zich op haar zij en tasten haar vingers in het donker naar de vertrouwde plek waar hij zou moeten liggen. Het bed is koud. Ze komt overeind om het nachtlampje aan te knippen en luistert. Ergens klappert een deur.

‘Erik?’ vraagt de vrouw slaperig. ‘Kom je weer in bed?’

          Niets. Het is koud buiten de lakens en ze begint zachtjes te rillen wanneer ze zich van het bed afzet en er voorzichtig bij vandaan stapt. Na drie keer schuifelen vindt ze haar balans en bereikt ze de deur, die kraakt wanneer ze hem verder openduwt en de donkere gang in kijkt.

‘Erik? Hoor je me?’ zegt ze, dit keer wat luider, en haar longen trekken samen; ze hoest. Ze knipt de ganglamp aan om voorzichtig de trap af te stappen. Beneden slaat de koekoeksklok drie uur en ze begrijpt ineens waarom haar lijf protesteert tegen deze wandeling.

‘Kom je weer naar bed? Het is erg laat,’ roept ze richting de keuken, waar ze via een rondje door de woonkamer in belandt. Geen Erik, wel dozen vol blikvoer, schoonmaakdoekjes en stapels wc-papier. Met een bibberige hand veegt ze afwezig een laagje stof van het aanrecht en ze kijkt door het keukenraam naar buiten. Het licht van de ganglamp verspringt van druppel naar druppel.

Terug in de gang treft ze zichzelf in de spiegel. Een bedorven vrouw, huid als krantenpapier. Ze leunt met haar handen op het dressoir en kijkt dieper in haar ogen. Helderblauw. Ze is er nog. Vermoeid, maar ze is er.

In de bijkeuken zat hij soms op het stoeltje naast de wasmachine en droger om naar buiten te kijken of stiekem een sigaret te roken. Dit keer niet. Dit keer staat de achterdeur op een klein kiertje en waait de regen naar binnen, net als het gebroken gele lint. Een plasje heeft zich al door de voegen van de tegels een weg gebaand naar zijn slippers; die staan er nog.

          De vrouw leunt naar buiten en volgt met haar ogen het licht van de ganglamp, ze struinen het grasveld af, langs de rododendrons, de siervijver en vervolgens het houtsnipperpad richting het bos. Een rukwind blaast regen in haar gezicht. Hoestend ploft ze neer op het stoeltje naast de wasmachine en de droger. Het slijm komt maar moeilijk los.

In de gang hangt een paraplu aan de kapstok, weet ze. En regenlaarzen. Geen tijd, ze herpakt zichzelf en stapt naar buiten.

‘Erik!’ roept ze de nacht in, terwijl het grasveld smakt onder haar blote voeten en haar lijf door het natte nachthemd priemt. Ze redt het tot de rand van de vijver en tuurt het bos in, op zoek naar beweging. De maan komt tevoorschijn en even lijkt het of een figuur tussen de bomen staat.

‘Ik ben hier!’ ze zwaait, maar kan de figuur niet goed zien. In haar hoofd ontstaat een plukje mist. Met troebele ogen kijkt ze achterom naar het met lint ingepakte huis en roept hem nog een keer. Ergens slaat weer een deur, maar het is te donker, ze ziet niet goed wat ze hoort. De mist verspreidt zich in haar hoofd en ze begint te huilen.

‘Erik, help me.’ Met haar armen stevig tegen haar borst gedrukt schuifelt ze terug. Het warme slijm uit haar neus vermengt zich met tranen en regen, het bungelt in slierten van haar kin. Ze schrikt van een windvlaag en verliest haar balans, landt voorover op haar knieën in het gras. Haar huilen en hoesten schokt bij elke snik. Terwijl ze richting het huis kruipt, overweegt ze te stoppen en in foetushouding in het gras te gaan liggen, maar twee handen grijpen haar bij haar schouder en arm. Ze kijkt omhoog naar een gemaskerd gezicht.

          ‘Erik?’

‘Kom op. Opstaan!’ roept het masker.

          Zijn sterke lijf tilt haar omhoog en sleurt haar mee. Ze voelt dat ze op hem kan leunen. Tot haar verbazing voert hij haar om het huis heen. Daar staat een ambulance met de blauwe lampen aan. Ze werpen een onaards licht op vier mannen in witte pakken die rondom een brancard staan.

          ‘Wacht, wat gebeurt er?’ Ze stribbelt tegen. ‘Waar is Erik?’

          Ze tillen haar zwijgend op de brancard en binden haar vast. Een van de mannen veegt het snot van haar gezicht en doet gauw een mondkapje bij haar om. Voor ze de ambulance ingeschoven wordt, ziet ze een doorweekte agent bij de voordeur opnieuw het gele lint aanbrengen. Twee andere agenten lopen met zaklampen door de woonkamer.

‘Waar is Erik?’ murmelt ze. Dan slaan de ambulancedeuren dicht.

~

‘Mam, word je wakker?’

          De vrouw opent haar ogen en sluit ze meteen, het witte licht is te verblindend.

          ‘Waar ben ik?’

          ‘In het ziekenhuis.’

          Ze probeert het nog een keer en ziet de witte tent. Gedesoriënteerd tasten haar vingers onder de lakens, maar het matras houdt al snel op. Ze kijkt op. Achter een doorzichtig gordijn herkent ze Mark en zijn vrouw.

          ‘Ik ben ziek?’ Er trekt iets aan haar elleboog, ze kijkt, slangetjes. ‘Goh.’

          Mark knikt en glimlacht. ‘Ja, maar niet lang meer. Niemand weet precies hoe het kan, maar je wordt beter, mama. Zelf na je avontuur van gisternacht.’

          ‘O, dat is goed nieuws.’ De slangetjes zitten in de weg en haar nagels zijn vies. Ze peutert wat modder uit een plooi in haar knokkel. Achter het plastic gordijn zoekt ze naar een ander gezicht.

          ‘Waar is Erik? Ik heb hem geloof ik al een tijdje niet gezien.’

          ‘Dat klopt.’ Mark wisselt een blik met zijn vrouw. ‘Mam, luister. Je moet nog even een tijdje rustig aan doen, maar ze denken dat je over een paar dagen al beter genoeg bent. Dan kun je bij ons komen wonen. Lijkt je dat wat?’

          ‘Doe niet zo gek lieverd, ik ga toch gewoon naar huis straks? Waar is Erik?’ Ze ziet hoe Mark ongemakkelijk naar zijn vrouw kijkt en dan terug naar haar. Er is iets mis.

          ‘Mam, herinner het je alsjeblieft. Ik kan dit niet nog een keer.’

          ‘Wat is er, lieverd?’

          ‘Pa is al die tijd bij je gebleven, weet je nog? Toen je ziek werd? Hij bleef bij je en zorgde voor je zolang hij kon.’

          ‘Mark, je maakt me bang, ik begrijp niet waar je het over hebt.’

          Dan trekt de mist op en voelt ze wat er gaat komen.

Ik weet het, ik weet het. Niemand houdt van cookies (behalve misschien chocolate-chip), maar deze website maakt er wel gebruik van. Als je doorgaat met het gebruiken van deze website, ga ik er vanuit dat je ermee instemt.  Meer info