Verhalen

Insomnia

Insomnia, gepubliceerd in Tijdschrift Ei, een kort verhaal geïnspireerd op het gelijknamige lied van Faithless en de Covid-19 pandemie (2020). Illustraties gemaakt door Nick Rovroy.

“I can’t sleep, something’s all over me,
Greasy, insomnia please release me,
And let me dream about making mad love on the heath,
Tearing off tights with my teeth.
But there’s no relief…”

– Insomina, Faithless

Ik zit klaarwakker in mijn keuken. Het is donker en ik ben eenzaam. De tip van mijn joint licht op als ik een lange haal neem en sterft uit terwijl ik luister naar de slapende wereld. De hitte sijpelt door het raam naar binnen en legt z’n handen op mijn schouders en duwt me nog dieper in mijn stoel. Het silhouet van mijn kat beweegt naar het kozijn en gaat met z’n rug naar me toe zitten, de punt van zijn staart zwiept zachtjes op onhoorbare muziek. Ik vraag me af wat zijn kattenogen zien, zo uitkijkend over de jungle van beton. Waarschijnlijk probeert hij zich te herinneren hoe gras voelt onder de kussentjes van zijn poten, hoe het voelt om echte prooi te vangen en niet een veer aan een stokje.

Mijn arm maakt een plakkerig geluid als ik ‘m optil van de tafel om de joint weer naar mijn mond te brengen. Ergens boven mijn hoofd proberen voeten door het plafond te breken. Mijn gebouw gaat gebukt onder het aantal vluchtelingen, het kreunt en steunt onder het gewicht van de zogenaamde Overlevers: mensen die hersteld zijn, maar nog steeds vatbaar voor de volgende golf. Mijn buurman was al twee jaar niet ziek geweest toen hij de tweede golf te pakken kreeg. Ik vond hem vanmiddag dood in zijn appartement.

De seconden op de klok tikken hard tegen mijn slaap. Tik. Tok. Tik. Tok. Het was ruim vier maanden geleden dat ik voor het laatst iemand aangeraakt had, huid onder mijn vingertoppen voelde, genoot van de warmte. Dit keer was het anders. De huid van mijn buurman was koud en stijf, maar het was nog steeds huid, het behoorde tot een ander mens. Het voelde zo anders dan al die andere dingen die ik dagelijks aanraak; kille, levenloze metalen en stoffen. Mijn kat zucht en ik ben iets minder eenzaam, ook al mis ik hem elke dag.

Ze namen hem mee toen ze erachter kwamen dat sommige mensen immuun zijn voor het virus. Inmiddels is dat ook alweer zeventien jaar geleden. Het is moeilijk om aan te wijzen waar het allemaal misging, maar voor mij was dat het moment waarop alle lichten uitgingen. De wereld belandde in een doodstille duisternis die het al heel lang niet meer gevoeld had. We waren zo gewend geraakt aan het gezoem van alle machines en het getik van elektriciteit, dat we niet wisten wat we met onszelf aan moesten toen we alleen nog maar onze eigen hartslag konden horen. We raakten gedesoriënteerd. Na een paar dagen in de duisternis verdwaalden mensen ’s nachts op straat.

‘Apocalyps!’ riepen ze.

Ik trof ze vaak biddend aan. In hun gebeden vroegen ze aan iemand om het licht aan te doen. Ik bekeek ze en zag de laatste stuiptrekkingen van een stervend lijf na een ongeluk. De nachthemel was nooit eerder zo helder geweest.

Ik druk mijn joint uit en na drie tellen hijs ik mezelf overeind en loop naar mijn kat om over zijn kop te aaien. De hitte klampt zich aan me vast zoals de tafel aan mijn arm. Door mijn wimpers heen lijkt de betonnen wegafzettingen te trillen, ik herken nog net de geïmproviseerde velden met zonnepanelen achter de hekken. Ik moet denken aan de wandelingetjes naar de stad en mis de tijd waarin we ons alleen nog maar druk hoefde te maken over de anderhalvemetersamenleving. De komst, of eigenlijk, de opkomst van de Immuuns veranderde alles; steden liepen leeg, het platteland raakte overspoeld met nog niet besmette mensen die hun eigen afstand-communes startten. Steden werden opgeëist door de Immuuns, de buitenwijken waren voor de Overlevers en werden langzaamaan ongewenste plekken om te verblijven, zoals bejaardentehuizen.

We waren bepakt en gezakt en klaar om te vertrekken toen ze hem meenamen.

Beeld door Nick Rovroy

Mijn buurman heette Mat. Ik zeg zijn naam hardop en mijn kat kijkt op alsof het zijn naam is. Dat is het niet, hij heet Kat. Mat was mijn beste vriend; we stonden in de rij toen we aan de praat raakten, we namen uiteindelijk zelfs de test met z’n drieën. Mat kent mijn pijn, hij was erbij toen ze hem meenamen, zag hoe ik jankte en schreeuwde toen ze ons uit elkaar haalden en hem in een wit busje stopten, terwijl Mat en ik door de hekken naar buiten werden geduwd. Niemand wist in die tijd wat er aan de hand was, het was allemaal nog vroeg en we waren optimistisch en naïef. Het was gewoon een fase waar we even doorheen moesten; de wereld zou gauw weer normaal worden, we hadden elkaar en de rest maakte niet uit. Ik had nooit gedacht dat dit alles zonder hem zou moeten doen.

Mat was niet het zorgzame type, maar hij gaf op een gegeven moment wel aan dat hij niet langer tegen de stank kon toen hij voor het eerst op de muur bonkte en tegen me schreeuwde dat ik mijn hoofd uit het raam moest steken.

              ‘Doe me een plezier en ruim op. En neem een douche.’ Zei hij terwijl zijn logge lichaam om de hoek van zijn raam stak. Zijn gezicht deed me denken aan een groot glas Coca-Cola. ‘Je huis stinkt alsof er iets dood is.’

              ‘Misschien is er wel iets dood.’

              ‘Doe niet zo dramatisch.’

              ‘Fuck you.’

En dat was het. Hij brak mijn deurslot, beloofde het te maken – dat heeft hij gedaan – en dwong me onder de douche. Sindsdien waren we vrienden.

Ik hoest en ik laat Kat, mezelf en waarschijnlijk het hele gebouw schrikken. Ik voel het gewicht van mijn longen in mijn borst en begin diepe teugen adem te halen, maar krijg daardoor bijna een paniekaanval. Ik ben al drie keer ziek geweest in de afgelopen zeven jaar, dus ik weet hoe het voelt: alsof je te lang in de zon over een strand hebt gerend en door een rietje moet ademen. De laatste keer was ongeveer twee jaar geleden. Ik voel aan mijn voorhoofd, maar ik weet nou niet of het warmer is dan normaal. Mijn geïrriteerde kat laat me achter bij het raam en ik vraag me af of ik al moe ben. Ik loop naar de koelkast: een droge aardappel, niet eens brood of jam, wanneer het licht boven mijn hoofd knapt. Mat was degene die het licht de vorige keer vervangen heeft.

We hoorden verhalen over nieuwe steden die speciaal gebouwd werden voor de Immuuns. Het leek erop dat de rest van de wereld ons opgegeven had.

              ‘Weet je, ze hebben ons hier achtergelaten om te sterven.’ Vertelde ik Mat op een avond in bed, ik leunde over hem heen om de as van de joint te kloppen. Ik miste de asbak en er viel een beetje dat een brandgat achterliet op het matras.

              ‘We gaan allemaal een keer dood.’ Hij stond op en begon zich aan te kleden. ‘Het maakt toch niet uit.’

              ‘Hoe kun je dat nou zeggen?’

Hij haalde zijn schouders op en deed zijn broek dicht. ‘Omdat het waar is. Niets doet ertoe, we zijn toch allemaal onze tijd aan het verdoen tussen geboren worden en sterven. Sommige gaan snel en vredig, anderen krijgen de kans om te leven en sterven gruwelijk.’

              ‘Nou, nou. Zonnestraaltje.’

Hij leunde naar me toe en gaf me een zoen. Ik keek hem na terwijl hij mijn slaapkamer uitliep. Ik raakte in paniek en rende achter hem aan; hij stond al in de deuropening.

              ‘Zeg dat je van me houdt.’

Hij draaide zich om.

              ‘Ook al is het niet zo, lieg dan maar tegen me.’

Ik zag dezelfde blik in zijn ogen als de laatste keer dat ik jankte en schreeuwde: medelijden. Hij vertrok en we gingen terug naar hoe het was. Buren die af en toe samen uit het raam hingen om een joint te roken.

Vanavond zouden we er ook een samen roken. Hij was al drie weken aan het hoesten, maar beweerde zich goed te voelen. Gewoon een rokershoestje. Zijn voordeur zat niet op slot en ik vond hem zonder shirt in de keuken met het beboterde mes naast hem op de vloer. Ik wist het al, maar toch knielde ik en hield twee vingers tegen zijn nek. Mensen die zeggen dat de dood lijkt op slapen liegen. Ik laat mijn duim langs de lippen glijden die me vroeger zo gepassioneerd zoenden en ik vraag me af hoe ze nu zouden smaken. Een zwerm vogels vliegt op uit een boom en langs het raam. In het raamkozijn ligt netjes een opgerolde joint klaar.

Ik zie de wind zachtjes door de bomen ruisen en leun verder uit mijn raam om het zuchtje wind op mijn gezicht te voelen. Hier zijn we dan, half drie ’s ochtends en ik kan nog steeds niet slapen. Ik sluit mijn ogen en lik mijn lippen; hij smaakte nog steeds hetzelfde.

Beeld door Nick Rovroy

Ik weet het, ik weet het. Niemand houdt van cookies (behalve misschien chocolate-chip), maar deze website maakt er wel gebruik van. Als je doorgaat met het gebruiken van deze website, ga ik er vanuit dat je ermee instemt.  Meer info